Evelien van Es

De stadsvernieuwing voltrok zich in het Oude Westen met groot gevoel voor context en respect voor het bestaande, ook al is veertig procent van de oorspronkelijke bebouwing in de jaren '70 gesloopt.

Toelichting
Volgens het Basisplan van Van Traa (1946) zou het Oude Westen deel gaan uitmaken van het centrum van Rotterdam. Het Oude Westen moest hiervoor gesaneerd worden. In de jaren vijftig en zestig passeerden diverse cityvormingsplannen de revue. In 1958 overwoog men de Economische Hogeschool in het Oude Westen te bouwen. In 1964 verscheen een studie hoe het Oude Westen in een negental fasen gesaneerd kon worden. In de jaren zeventig keerde het tij. In 1974 kregen progressieve partijen in de gemeenteraad de meerderheid. De kersverse wethouder van Stadsvernieuwing wees het Oude Westen aan als rehabilitatiewijk: Het Oude Westen zou weer in goede staat teruggebracht moeten worden. In 1976 werd het bestemmingsplan voor het Oude Westen gepresenteerd. Het plan baseerde zich op een studie van Pietro Hammel en Nico Witstok. Deze studie, 'Ons Rekonstruktieplan' (1970) bestond slechts uit twee tekeningen: een bestemmingsplan waarin alle bebouwing paars is ingekleurd (wat in traditionele bestemmingsplannen de codering is voor een gemengde functie) en een verkeersplan dat een toevoeging van pleintjes en dwarsstraten binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur laat zien.

19de-eeuwse wijk
De oorspronkelijke structuur van lange, smalle, noord-zuidlopende straten dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Dit stratenpatroon is afgeleid van de landschappelijke ondergrond: het weerspiegelt de middeleeuwse polderstructuur van een rechthoekige verkaveling met lange, smalle weidepercelen en dicht opeen liggende ontwateringssloten. Frits Palmboom typeert dit stratenpatroon als een open verstedelijkingsstructuur. Het is een structuur met grote veerkracht, omdat het toevoegingen goed verdraagt. Het Oude Westen bestond grotendeels uit laat 19de-eeuwse individuele, pandsgewijze bebouwing en voor een klein deel uit bebouwing dat tussen de Wereldoorlogen is gebouwd. Deze interbellumbebouwing is incidenteel van aard. Tijdens de stadsvernieuwing werd over de bestaande structuur een nieuwe structuur van dwarsverbindingen à la Jane Jacobs gelegd. Jacobs propageerde in The Death and Life of Great American Cities kortere bouwblokken zodat er ruimte ontstaat voor dwarsstraten. Naar voorbeeld van Jacobs kreeg het Oude Westen de 'dwarsroute'. Deze nieuwe structuur versmelt als het ware met het 19de-eeuwse stratenpatroon.

Stadsvernieuwing
In vergelijking met 'Ons Rekonstruktieplan' (1970) is het Bestemmingsplan van 1976 veel gedetailleerder. Bestemmingen werden uiteindelijk toch wel vastgelegd, omdat bewoners wilden weten waar ze aan toe waren. Ook de structuur van dwarsstraten is fijnmaziger geworden dan in 'Ons Rekonstruktieplan. De nieuwe dwarsstraten en pleintjes sluiten aan op de 19de-eeuwse dwarsstegen. Die waren er namelijk wel, al waren het er niet veel. Veertig procent van de bestaande bebouwing is tijdens de stadsvernieuwing gesloopt. In de jaren zeventig was dat acceptabel. Zestig procent bleef immers behouden, en dat is een relatief hoog percentage. Zeker als je je bedenkt dat cityvorming in de jaren vijftig en zestig de norm was. Stadsvernieuwingsarchitectuur in het Oude Westen gaat wat korrelgrootte betreft door op de schaalvergroting. De nieuwbouwcomplexen omvatten meestal hele bouwblokken. De gevels zijn als geheel vormgegeven en lopen om de hoek door. Oorspronkelijke bouwhoogte en structuur zijn zoveel mogelijk gerespecteerd. Met rooilijnen is daarentegen geëxperimenteerd: Harde overgangen werden verzacht door de zogenoemde 'tussenruimtes'. Er ontstaat dan een spel met de rooilijn door in- en uitstulpingen en het optillen van de entrees naar de tweede bouwlaag. De vormgeving is divers en duidelijk herkenbaar als typische jaren zeventig-architectuur. Toch is meer dan eens aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld in de horizontale geleding van de negentiende-eeuwse bebouwing, bij de erkers van de bebouwing uit het interbellum, en zelfs uitbundige decoratieve middelen. De bebouwing die behouden bleef, kwam in aanmerking voor renovatie. Praktisch geen enkele woning werd overgeslagen. De meeste woningen ondergingen een uitvoerige renovatie, een klein deel van de woningen kreeg een bescheiden opknapbeurt. Het is een manier om bestaande bebouwing te handhaven, maar niet alle projecten zijn even geslaagd.

Conclusie
In de stadsvernieuwing van het Oude Westen is behoedzaam omgegaan met de historische gelaagdheid van de wijk door de ruimtelijke ingrepen te schikken naar het open verstedelijkingssysteem. Met respect voor het bestaande werd er binnen de marges wel geëxperimenteerd, bijvoorbeeld met de rooilijn en de architectonische vormgeving. Binnen de historische gelaagdheid van het Oude Westen is de stadsvernieuwing een consistente laag geworden. Een architectuurhistorische laag die inmiddels op zijn eigen merites beoordeeld zou moeten worden.

onderzoeksresultaten

Vijf ontwerpbureaus onderzochten de huidige opgave op de drie Rotterdamse locaties. Daarnaast verrichtten de zelfstandig gevestigde architectuurhistorici Wijnand Galema en Evelien van Es historisch onderzoek. De vijf ontwerpteams: QWA Architecten, de Zwarte Hond, Powerhouse Company, biq stadsontwerp en Lola i.s.m. Stereo Architects.

De benaderingswijzen van de onderzoekers vertonen grote verschillen. Lola c.s. kozen voor de vervlechting met het aangrenzende landschap terwijl Powerhouse het zocht in een sterke beeldgerichte aanpak. Waar QWA op het niveau van de gebouwtypologie wijzigingen aanbracht, analyseerde biq zowel het gevelbeeld als de stedenbouwkundige opzet. De Zwarte Hond richtte zich op de stedenbouwkundige structuur.