nav ?>

Jan Willem Vader

Jan Willem Vader

1976 trad in dienst bij Stadsontwikkeling, van 1983-1988 als Districtschef Centrum.
Mentink wil wonen in de binnenstad
In 1974 kreeg Rotterdam een links programcollege met wethouder Mentink voor Ruimtelijke Ordening. Het nieuwe college wilde onder meer weer woningbouw in de binnenstad, om deze zo herbergzamer te maken en levendiger buiten de openingstijden van winkels en kantoren. Mentink wees naar alle nog onbebouwde plekken en sprak de woorden: “ik voel me net een mug in een nudistenkamp”. De slinger sloeg wel ver door: eerst in de binnenstad alleen projecten voor kantoren, winkels en autowegen en nu alleen nog maar woningen. Er was sprake van een complete omslag.

Wij bij Stadsontwikkeling dachten daar genuanceerder over. De binnenstad moest al die functies hebben, wonen, werken, winkelen en recreëren, maar dan wel in een bepaalde mix. Net als het niet goed was delen met alleen maar kantoren te hebben, gold dat ook voor woningen. Maar als het aan de wethouders gelegen had was dit wel gebeurd. Zoals bij de woningbouw op het Hofdijkterrein naast het Hofplein; een voorbeeld van een project dat weinig relatie heeft met de omgeving en weinig toevoegt aan de stad.
Ideeënprijsvraag Weena  1977
Het Weena was midden jaren zeventig een kale vlakte, omdat het door Van Traa bewust bewaard was voor volgende generaties. Mentink zei daarop: “ik ben die volgende generatie” en wilde ook daar snel 1e palen slaan voor woningbouwprojecten. Bij Stadsontwikkeling vonden wij dat er eerst een stedenbouwkundig plan gemaakt moest worden. We adviseerden toen een ideeënprijsvraag uit te schrijven, om zo wat tijd te winnen en de discussie op gang te brengen Wij waren in die periode nog nauwelijks bezig met het Weena. Behalve dan dat je het Basisplan had, waarin het Weena nog breder gedacht werd dan het Champs-Élysées, met meer dan tachtig meter.
Eervolle vermeldingen als  aanzet tot verdere studies voor het Weena
Geen van de 77 inzendingen zou winnen, in plaats daarvan kregen acht een eervolle vermelding. De jury, die bestond uit de architecten Weeber en van Klingeren, de beeldend kunstenaar Beljon en van de diensten Swiebel (Verkeersdienst) van Zwienen en ikzelf (Stadsontwikkeling), vond geen van de ingezonden ideeën geschikt voor uitvoering. In plaats daarvan adviseerde de jury de inzendingen te gebruiken als studiemateriaal voor het vervolg en het Weena daarbij vooral ook te bezien in het groter verband. Wij hadden als jury veel waardering voor de ruimtelijk meer op het Basisplan geënte oplossingen: het zgn. Boulevard model. Dit model was bijvoorbeeld uitgewerkt in het plan STOA door Cees van der Ven, waarin het Weena als onderdeel van hoofdstructuur van de binnenstad was gehandhaafd.

Boulevard- of plaatmodel

De Raadscommissie was nog niet zo overtuigd van het Boulevardmodel. Het idee van het Plaatmodel was nog blijven hangen. Een model dat wij zelf met een schetsje van Tivoli een jaar eerder hadden geïntroduceerd voor het Weena; een attractiepark bovenop het Weena geïnspireerd op het gelijknamige park nabij het station in Kopenhagen. Met deze schets wilden wij duidelijk maken dat de recreatieve functie in de binnenstad versterkt moest worden, en een alternatief bieden voor het plan om een pretpark buiten de binnenstad te plaatsen op het DWL-terrein. Ook in het plan van Witteveen en in het Basisplan waren er recreatieve functies (hotels, cafés, restaurants, theaters) gedacht voor het Weena-stationsgebied. Een groot nadeel van het Plaatmodel was dat je door de realisatie van een wegoverdekking het gebied in één keer moest ontwikkelen. Het gevaar hiervan was dat één ontwikkelaar, als die er eenmaal zat, het plan naar zijn hand zou gaan zetten. Iets wat ook met Hoog Catharijne in Utrecht gebeurd is. Wij en onze adviseurs (Hoogstad, Weeber, Heydenrijk) wilden liever een hoofdstructuur die duidelijk paste in het groter geheel van de binnenstad, en waarin je elk bouwblok in de tijd kon aanpassen aan wensen en financiering. Op een gegeven moment zei de Raadscommissie: jullie zijn dan voor Boulevardmodel, wij gaan niet zomaar overstag. En daarom vroegen ze alle drie de adviseurs één variant uit te werken (resp. het Boulevard-, Grid- en Plaatmodel), om daaruit te kunnen kiezen. Uiteindelijk werd het gelukkig toch het Boulevardmodel. Later hebben wij als Stadsontwikkeling in het zgn. ‘ Groene boekje’ de plannen voor Weena en Schouwburgplein samen gepresenteerd in een studie die een voorloper was van het Binnenstadsplan 1985, het eerste integrale plan voor de binnenstad sinds het Basisplan van van Traa uit 1946.
Boulevards zonder levendigheid
Het Weena van nu is niet de Boulevard die wij toen voor ogen hadden.  De Boulevards van Van Traa zijn in de uitwerking steeds meer op snelwegen gaan lijken en barrières geworden. Boulevards wilden we wel, maar dan op zijn Parijs. D.w.z. met een aangename verblijfsfunctie op de trottoirs, winkels, kantoren, wonen bovenop elkaar en qua verkeer een interactie tussen verkeer dat erover rijdt en de bestemmingen in de gebouwen. En in Rotterdam, nog steeds, is er op veel boulevards een stopverbod (Coolsingel, Weena). Je kan er niet uitstappen, kortparkeren of uitladen. Door interactie tussen de verschillende stedelijke functies krijgt een boulevard juist levendigheid.


 
Interview en verslag door Renate Mous, 13-10-2010
 
 

nav ?>

interviews

Wat bewoog de architecten en projectcoördinatoren uit de jaren ’70 en hoe kijken ze terug op het resultaat van de ‘omslag’ in Rotterdam? In het kader van R'70 is een aantal interviews gehouden met ooggetuigen en onderzoekers van deze, voor Rotterdam, turbulente periode.

De interviews verschaffen een levendig beeld in hoe de omslag van de jaren ’70 een nieuwe ruimtelijke en organisatorische opgave betekende. Niemand wist hoe de urgente stedelijke problemen van verkrotting, woningnood en binnenstad aangepakt moesten worden. Al doende leerde men.