Schets uit Waterverband, Jan Hoogstad 

Jan Hoogstad

interview door: Renate Mous

Op een namiddag in mei heb ik een afspraak met architect Jan Hoogstad. Ondanks zijn verslechterde gezondheid en hoge leeftijd nodigde hij mij bij hem thuis uit om hem daar te spreken voor mijn onderzoek. Ik kom binnen in een grote verlichte woonkamer met een wijds uitzicht over de Maas met de Erasmusbrug en in de verte de haven. De grote ramen zijn afgedekt met lichtschermen, waardoor het licht van buiten verzacht de ruimte binnenkomt, maar toch een goed zicht naar buiten mogelijk maken. Van papier gemaakt, vertelt Hoogstad mij. De ruimte wordt gevuld door een vleugel en een grote tafel waaraan we plaatsnemen.

De binnenstad Rotterdam in de jaren zeventig
Het was een tijd waarin de vraag was: hoe moet het nu verder met de architectuur en stedebouw? We hadden C’70 gehad, het feest. Daar hadden Quist en ik de opdracht voor om te kijken wat er in de binnenstad allemaal nog aan ruimte was. Men had het gevoel in de jaren zeventig dat de stad af was, klaar. Toen heb ik samen met Adriaan van der Staay, hoofd van de Rotterdamse Kunststichting, AIR opgericht. Hem ontmoette ik op een feestje en hij vertelde mij dat hij maar geen vat kreeg op de architecten. Met een klein clubje, ook met Weeber, gingen we praten over de binnenstad. In Delft had Weeber toen ruzie met Van Eyck en Bakema over onder meer de maat der dingen en de kleinschaligheid en vertrutting.

Rotterdam zwemt in de ruimte
Ik schreef in 1977 een artikel over de verdichting van de binnenstad voor het tijdschrift Plan: Rotterdam zwemt in de ruimte. Het was een pleidooi voor een kleinschalige voering in de binnenstad. Rotterdam had een bepaalde heersende maat, een blok van 90 meter, dat was een grid over de stad. En als zo’n maat gaat domineren, dan kan je niet meer zoveel doen. Terwijl als je een kleinere maat kiest om te laten domineren, net als bij muziek, kan je veel meer variëren, en wordt het speelser.
Het artikel werd opgenomen in de beleidsnota van het programcollege in 1974, met enkel wethouders van de PvdA. Ook hield ik bijna wekelijks voordrachten ergens in het land, zo kwam ik in Groningen, Arnhem, Maastricht en Apeldoorn, en later ook in het buitenland tot in Tokyo en Buenos Aires.

Waterverband als tweede stem

De gemeente vroeg mij in 1976 om samen met de dienst Stadsontwikkeling een stedenbouwkundig studie te maken om te kijken of er plaats was voor meer wonen in de binnenstad. Onderdeel van dit plan was een wandelroute met steigers en vlonders langs Stokviswater, naast de Rotte, tot aan de Maas. Een soortgelijke route stelde ik ook al voor in 1968, toen ik samen met Quist voor C’70 een plan maakte voor een vermaakstructuur van kroegjes, barbecues en vlonders over het Haagse Veer. Toen werd dit om financiële redenen niet uitgevoerd. De wandelroute Waterverband was parallel aan de hoofdader Coolsingel. In de muziek zou je het een tweede stem noemen, met de Coolsingel als eerste stem. Er was al een tweede stem aan de andere kant van de Coolsingel, de Lijnbaan.  

Het Chruchillplein in het verhaal van het Venster op de Rivier

Ook onderdeel van de studie Waterverband was een Masterplan voor het Churchillplein. Het plein was in de jaren zeventig een grote open ruimte. De hoeken van het plein waren in het plan van Van Traa met het idee van een Venster op de Rivier opengelaten om zo het zicht vanaf de Coolsingel op de Maas vrij  te houden. Waar nu het Robeco gebouw staat was eerst gewoon gras. Ik heb de bebouwing in het plan juist naar deze hoeken toe geschoven. Maar het venster bestond toen ook niet meer. Het was al in de jaren vijftig om zeep geholpen met het verplaatsen en verhogen van de stormvloedkering op de Boompjes.
Er bestonden in de jaren veertig romantische verhalen dat men vanaf de stad de Statendam kon zien vertrekken, het vlaggenschip van de Holland Amerika Lijn. Het was eigenlijk een heel typische opmerking, want het schip was al in de oorlog uitgebrand. Er was een soort van verlangen dat die daar weer terug zou komen. Volgens mij heeft het venster nooit gewerkt, ook toen er nog geen dijkverhoging was. Het was een verhaal dat het bij de verdediging van het stedenbouwkundig plan erg goed deed.

Uit de gratie

Waarom de route Waterverband er niet kwam? Ik was toen een tijdlang uit de gratie bij het gemeentebestuur, met als gevolg dat je plannen ook niet doorgaan. Ik ging er in de discussie soms nogal tegenin, misschien. En daar kunnen politici niet tegen. Ik heb toen een hele tijd niets meer in Rotterdam gedaan. Eigenlijk totdat ik in de tweede helft van de tachtiger jaren de opdracht kreeg voor het gebouw van Unilever aan het Weena. De gemeente wilde dat eerst niet daar. Unilever moest ook maar naar Rotterdam Oost. Meneer Maljers, directeur  van Unilever, belde toen de burgermeester op en zei: ‘als we niet op het Weena mogen, gaan we heel Nederland uit’.

Te gemakzuchtig uitgevoerd
Achter het idee van een wandelroute langs het binnenwater sta ik nog altijd, alleen vind ik de uitvoering niet altijd even geslaagd. Bijvoorbeeld de bruggen over het binnenwater, die hebben geen mooie vormgeving. En de bruggen over de Leuvehaven zijn er nooit gekomen. Er is niet voldoende aan getrokken, te gemakzuchtig uitgevoerd. Ik vind trouwens de woningen aan de Leuvehaven ook slecht. Somber van kleur en weinig toegankelijk wat betreft openbare ruimte. En dat komt ook door het weglaten van zo’n brug. Anders had je een loopcircuit kunnen maken.
Dat is het ondankbare van plannen die tussen stedenbouw en architectuur liggen. Je maakt een plan, dat wordt met gejuich ontvangen, en dan wordt het overgenomen door de ambtenaren en raak je de macht over de ontwikkeling ervan kwijt. En dan zie je dat er van je ambitie maar de helft terechtkomt. Je krijgt eigenlijk geen medestanders voor je plan. Mensen die bereid zijn om ervoor te gaan.

Fokkinga tegenoversgestelde van een streber
Ik was ten tijde van het plan lid van de Welstand, voor de afdeling binnenstad. Van Zwienen, districtschef centrum, was mijn aanspreekpunt voor de dienst. Ook Fokkinga, directeur van de dienst, was een lid. Daar is het contact met de dienst ontstaan. Ook Van den Broek, Bodon, Maaskant en Salomonson waren lid, architecten die best wat te vertellen hadden. Fokkinga was het tegenovergestelde van een streber. Het hoefde van hem allemaal niet zo. Als je met ideeën kwam, dan voelde je hem denken: daar heb je weer zo’n architect die zo nodig moet. Hij heeft weinig geëntameerd en was heel selectief in het laten doorgaan van ideeën. Hij was iemand van de betrekkelijkheid der dingen. Van Zwienen was een hele extraverte man. Beetje een leerling van Van Traa. Hij voelde zich ook geroepen om het erfgoed van Van Traa te beschermen tegen Fokkinga. Fokkinga en Van Zwienen accordeerden niet altijd.

Foto: Leo den Ouden

Renate Mous hield het interview in het kader van haar masterscriptie over het beleid en stedenbouw voor binnenstad Rotterdam 1974-78, lees hier meer.

interviews

Wat bewoog de architecten en projectcoördinatoren uit de jaren ’70 en hoe kijken ze terug op het resultaat van de ‘omslag’ in Rotterdam? In het kader van R'70 is een aantal interviews gehouden met ooggetuigen en onderzoekers van deze, voor Rotterdam, turbulente periode.

De interviews verschaffen een levendig beeld in hoe de omslag van de jaren ’70 een nieuwe ruimtelijke en organisatorische opgave betekende. Niemand wist hoe de urgente stedelijke problemen van verkrotting, woningnood en binnenstad aangepakt moesten worden. Al doende leerde men.