nav ?>

Henk van Schagen

Bij het begin van het gesprek toont Van Schagen een map met krantenknipsels uit de periode van de ontwikkeling van het Simonsterrein. Die gaan over acties in verschillende wijken tegen de saneringsplannen rond 1970. Voor hem waren die van belang, omdat deze hem in die periode gemotiveerd en gevormd heeft. In die tijd waren de huis-aan-huis bladen actief in het volgen van bewonersacties. Het Vrije Volk was een pvda-krant, en daardoor minder kritisch op het stadsbestuur. Huis-aan-huis bladen voerden oppositie tegen de pvda en stond meer open voor geluiden uit de samenleving. Rotterdams Nieuwsblad was meer een CDA-krant en dus behoudender.
Hij zou de periode vooral als activistisch willen beschrijven. De saneringsplannen voor de oude wijken vond Van Schagen “grenzeloze domheid”. De plannen waren gebaseerd op het strafpuntensysteem, waarbij de doorspoelbaarheid (luchtcirculatie) een rol speelde. Dat stamde nog uit de tijd van de hygiënisten. Van Schagen werkte tijdens en na zijn studie bij Van Tijen (Van Tijen Boom Posno). o.a. aan het Oranjeplein in Den Haag. Daar had hij ervaring opgedaan met sociale woningbouw voor de buurt en het werken onder grote politieke druk.
Het Simonsterrein was oorspronkelijk onderdeel van de werf Wilton-Feijenoord en later scheepssloperij Simons. In de literatuur staat dat hij failliet was, maar het bedrijf werd voortgezet in Amerika, aldus Van Schagen. Waarom de kantoorvilla aanvankelijk is gehandhaafd, heeft mogelijk te maken met het creëren van bufferzone naar Hunter Douglas. Het Simonsterrein was bedoeld voor mensen die wilde terugkeren naar Feijenoord, nadat ze hun heil eerst elders hadden gezocht. Het was de wens van bewoners om ook voorzieningen te krijgen, maar die zijn niet gerealiseerd. Volgens planners was hiervoor te weinig draagvlak.
Inspiratie voor het Simonsterrein deed Van Schagen op bij o.a. Lillingtonstreet in Londen. De plattegrond van Simons vertoont overeenkomsten met dit complex. Van Tijen was erelid van de SAR (Stichting Architecten Research, WG) en bevriend met Habraken. Over woningplattegronden wist hij dus veel. Van Schagen had een voorkeur voor de kleine overspanning, omdat dit een flexibeler plattegrond opleverde. Een ander voorbeeld uit die periode dat opzien baarde was het Bickerseiland in Amsterdam. De discussie over bewonersacties, kosten, plattegronden en typologische ontwikkelingen werden gevolgd door Wonen/TABK. Redactielid Ruud Brouwers schreef uitvoerig over de stadsvernieuwing in die periode.
Van Schagen herinnert zich de zogenaamde Hoekse en Kabeljauwse twisten: alle vergaderingen in de buurt begonnen met geroddel en geruzie over woningtoewijzing. Er waren altijd geruchten dat iemand al een woning aan het water was beloofd. Dat leverde dan weer scheve gezichten op bij andere buurtbewoners. De bijeenkomsten werden gehouden in Paramount, een feestzaal aan de Hogendijkstraat.
Het belangrijkste onderwerp voor de werkgroep Simons was de betaalbaarheid van de woningen. Elke ingreep of wijziging van het plan had gevolg voor de huurprijs. Wethouder Van der Ploeg (Stadsvernieuwing) had vertrouwen in Van Schagen. Toen Van der Ploeg begon, had hij te maken met de oude garde bij de diensten Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. Na 1975 kwam er een vernieuwingsgolf bij Stadsontwikkeling en werden op grote schaal nieuwe medewerkers aangenomen. Bijna allemaal net opgeleide architecten uit Delft. Van Schagen raakte betrokken door Marianne van Es, opbouwwerker van Feijenoord. Voor dat hij begon was al onderzoek gedaan naar de geschiedenis van Feijenoord door Cees Boekraad, dat is gepubliceerd in Wonen/TABK.
De verordening Stadsvernieuwing was opgesteld door Pim Vermeulen en Wim van Es. De laatste werd projectleider, maar met de start van Simons was al begonnen voor de verordening werd aangenomen. Hierdoor kreeg de werkgroep niet de officiële status als projectgroep, zoals de verordening had bepaald. De projectgroepen hadden een aparte status en legden direct verantwoordelijkheid aan het stadsbestuur. Op het stadhuis was hiervoor een aparte ambtenaar benoemd, de heer Krieger. Hij stamde uit de wederopbouwtijd en wist van aanpakken. In feite had hij een eigen bouwdienst onder directe verantwoordelijkheid van de wethouder Stadsvernieuwing. De proco’s (projectcoördinatoren) van de stadsvernieuwing waren een soort ‘onderkoninkjes’.
De dienst Volkshuisvesting (VH) was groot geworden met het oplossen van woningnood. Het herhuisvesten van grote groepen mensen werd gezien als technische opgave, als een sanering. VH dacht ook te weten wat goed was voor de mens, maar dat was een achterhaald idee, volgens Van Schagen. Hij ging uit van een probleemanalyse, zonder vooruit gestippeld idee, en hanteerde een meer sociologische aanpak.
Van Schagen zat in de regel niet bij projectgroepvergaderingen, maar werkte achter de schermen via de bewonersorganisatie. Er werden door hem cursussen gegeven aan bewoners. Hierin werd uitgelegd hoe de huren worden bepaald. Bewoners wilde hier ook inzicht in hebben. Vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting waren er de Wenken en Voorschriften 1965, waaraan woningwetwoningen moesten voldoen. In het systeem van het ministerie voor het berekenen van subsidie werd uitgegaan van de verblijfseenheid, kortweg v.e. De v.e. was bedoeld als prikkel om boven het minimum te bouwen. Voor Simonsterrein zijn al die berekeningen verloren gegaan.
Er was sprake van twee ontwikkelde woningtypen voor het Simonsterrein: één van SO en één van VH, waarin de ideeën van een studentenwerkgroep van de TH waren gecombineerd. De eerste was gebaseerd op een breedtemaat van 5.10 meter en de tweede van 6.0 meter. De laatste had de keuken aan de gevel en het SO-model had de keuken in het midden. Van Schagen heeft het type van 5.10 meter ontwikkeld. De twee typen zijn op schaal nagebouwd in een tent in de wijk. Van Schagen wilde een erker, refererend aan de vooroorlogse woningbouw met erkers en vanwege het uitzicht. De erker is niet uitgevoerd, maar terug te zien in de vorm van de balkons. Van Schagen maakte een lichtkoepel boven het trappenhuis om toch licht in het trappenhuis te krijgen. De positie van het trappenhuis, vanuit de entree minder logisch, is gekozen omdat dit gunstiger was voor de ontsluiting van de verdiepingen en indeling van de woningen.
Bij VH werkte de architect De Waard; de stedenbouwkundige bij SO was Maarten den Dulk. Toen eenmaal gekozen was voor het 5.10 meter model werkte hij verder aan de verkaveling. De Waard werd zo enthousiast over het plan dat nieuwe dingen wilde toevoegen. Hij bedacht o.a. de ventilatie van de aanrechtkast. Hierin kon de afvalbak worden geplaatst en door deze aan te sluiten op de mechanische ventilatie zouden nare geurtjes worden weggezogen. Het raampje naast het grote venster in de voorgevel is gemaakt om de voordeur te kunnen zien. Dat vonden de bewoners belangrijk. In de welstandscommissie werd dit een ‘half melkmeisje’ genoemd. Sommige leden hadden hier moeite mee, maar architect Maaskant was voorzitter en sommeerde: “dit plan gaat ongewijzigd door”.
Vanaf het begin was het een wens om de buitenruimte als groen in te richten en te openen naar de bestaande buurt. Dat was een groot contrast met het oude Simonsterrein dat omringd werd door een grote muur. Openheid is ook gecreëerd door een looppad door de blokken te maken. Doorzicht naar het water voor de bewoners van het Zinkerblok was mede bepalend voor de openheid en richting van de blokken. Op de hoeken van het Simonsterrein zijn de blokken gesloten. Dit heeft te maken met het aanzicht vanuit de omliggende straten. De bufferzone en het gebied naar de Zinkerstraat werden ingericht als speelvelden.
 
Wijnand Galema, woensdag 19 mei 2010

nav ?>

interviews

Wat bewoog de architecten en projectcoördinatoren uit de jaren ’70 en hoe kijken ze terug op het resultaat van de ‘omslag’ in Rotterdam? In het kader van R'70 is een aantal interviews gehouden met ooggetuigen en onderzoekers van deze, voor Rotterdam, turbulente periode.

De interviews verschaffen een levendig beeld in hoe de omslag van de jaren ’70 een nieuwe ruimtelijke en organisatorische opgave betekende. Niemand wist hoe de urgente stedelijke problemen van verkrotting, woningnood en binnenstad aangepakt moesten worden. Al doende leerde men.